Madoc op de wc
Voor Thys
De jeugdjaren van het tijdschrift waren voorgoed voorbij, toen het eerste nummer van de zesde jaargang in 1992 verscheen. De volwassenwording van Madoc vond plaats dankzij de bemoeienis van een professionele uitgever, Verloren in Hilversum. De kopij werd niet langer eigenhandig door redactie en vormgeefster in elkaar geknutseld, gekopieerd en via universitaire post verspreid, maar werd op een floppy door een redacteur ten huize van de uitgever in Hilversum afgeleverd.* Nou ja, ten huize: uitgever Thys Verloren zetelde in de verbouwde garage naast de villa waar hij zelf woonde. Gesprekken met klanten en auteurs vonden wel plaats in de voorkamer van de woning, waar fier een rijtje boeken uit zijn nog jonge fonds stond. Die rij zou met de jaren snel uitdijen, evenals de uitgeverij, zodat de villa annex garage een voormalige, monumentale fabriekshal werd, later zelfs een al even monumentale kerk. Al die tijd bleef Madoc een vaste waarde in het fonds van Verloren.
De uitgever gaf de jonge redacteuren van het tijdschriftje veel vertrouwen en ruimte. Vermoedelijk hadden wij dat te danken aan onze samenwerking voor De middeleeuwen in de twintigste eeuw in 1990, ter gelegenheid van het eerste lustrum van de vereniging Firapeel. Als redactie hadden we daarmee aangetoond een bundel in boekvorm aan te kunnen. Bij verschijning van themanummers was Thys van de partij, later steevast vergezeld door onze onvolprezen redacteur Anja van Leusden, met stapels tijdschriften en boeken voor de verkoop. Verder bleef hij op de achtergrond. Stelde hij dan helemaal geen eisen aan het blad dat hij ging uitgeven? Amper, maar als ik me goed herinner hebben we aan de bespreektafel in de villa wel enkele van zijn criteria voor vorm en inhoud uitgewisseld.
Voor zover ik kan nagaan zijn drie van de vier criteria die toen ter sprake kwamen nog steeds zichtbaar in de huidige gedaante van Madoc. Ten eerste, een tijdschriftartikel bevat anders dan een wetenschappelijk boek eindnoten, geen voetnoten: kijk het maar na. Ten tweede, het artikel bevat louter functionele illustraties: hier is het tijdschrift wel meegegaan met de eisen en mogelijkheden van de tijd, toch is het allesbehalve een glossy. Ten derde, de opmaak wordt niet ondersteund door franje van lijnen en bolletjes. Dit laatste was een strijdpunt omdat in het ontwerp van vormgeefster Remke Sierevelt deze speelse elementen als verwijzing naar de liniëring van handschriften waren opgenomen, terwijl Thys er niet veel van moest weten, ook omdat ze de opmaak bemoeilijkten. We kwamen uit op een compromis. Deze beeldelementen zijn bij een herziening van de lay-out in de 19de jaargang alsnog gesneuveld.
Het meest inhoudelijke punt, tot slot, was het vierde criterium. De stoelgang van de uitgever was hier de maat der dingen. Een kwaliteit van het bestaande tijdschriftje was volgens hem dat het zich liet lezen op de wc. Allereerst doordat het de wetenschappelijke mediëvistiek in een licht verteerbare vorm opdiste, maar beslist ook vanwege de beperkte lengte van de artikelen. Of dit criterium nog altijd van kracht is, kan alleen de Madoc-lezer zelf beoordelen.
* Over de jongelingsjaren van het tijdschrift schreef ik ‘Madoc, een wereld erbij. Van Middeleeuwenhausse naar Middeleeuwentijdschrift’. Madoc 25 (2011) 1, p. 2–12.

Omslagen van het tijdschrift uit de vijfde en zesde jaargang. Tot op de dag van vandaag is in de poot van de hoofdletter M de eerste regel van Van den vos Reynaerde verwerkt (Willem die vele bouke maecte…) naar een handschrift waarin Madoc(ke) is vervangen door vele bouke: een laatste overblijfsel van de op manuscripten geënte lay-out en zo goed als de naam van het tijdschrift een doelbewuste toespeling op de ongrijpbaarheid van de middeleeuwen.




